In 2007 maakte Sasja Janssen (1968) haar debuut als dichter, met Papaver. Ik was destijds erg onder de bekoring van deze bundel, met name van het sterke beeldende vermogen van Janssen. Wel nam ik, naast deze beeldende tendens, een talige tendens op, die mij aanmerkelijk minder aansprak.
Over Papaver merkte ik onder andere het volgende op:
'Sasja Janssen grossiert (...) in het gebruik van neologismen (...). Een kleine selectie, een verre van uitputtende opsomming: “armsteken” (p. 10); “gelegenheidsblad” (p. 13); “vogelvrijehals” (p. 23); “baaikamer”, “zeekwets” en “naoogde” (p. 27); “bitterdag” en “klapkinderhanden” (p. 28); “kronkelduikt”, “eigenaarsogen”, “waterblik” en “monddier” (p. 29); “liefkruid” (p. 30); “spinraggend”, “vlinderbeeldend” en “oogdonker” (p. 31); “kreukkreten” (p. 34); “zoethouthanden” (p. 35); “jongemeisjesrood” (p. 41); “teisterkat” (p. 38); en “goochelgiechellach” (p. 45).'
'Sasja Janssen heeft (...) onmiskenbaar, naast een beeldende, ook een talige inclinatie. (...) Persoonlijk ben ik niet zo’n liefhebber van dit soort neologismen, taalvondsten en woordspelingen. Mij bevalt de beeldende Sasja Janssen beter dan de talige. Gelukkig overheerst de eerste de laatste.'
Onlangs verscheen Janssens tweede bundel, Wie wij schuilen, en tot mijn spijt moet ik zeggen: de talige tendens heeft zich versterkt, is verder doorgevoerd.
Opnieuw veel neologismen (overigens stuk voor stuk, op één belangrijke uitzondering na, samenstellingen, evenals de bovenstaande uit haar debuut): 'eigenhuid' (p. 21), 'rafelkoorts' (p. 23), 'kantenklaarmeisje' (p. 24), 'bloeddagen' (p. 29), 'zwijgliefde' (p. 32), 'hijghanden' (p. 37), 'vrouwval' (p. 42), 'langst' (als zelfstandig naamwoord; de belangrijke uitzondering – p. 44), 'verdwaalkaart' (p. 47), 'vuistvuursprong' (p. 53).
Overigens zitten daar mooie en treffende nieuwgevormde woorden tussen: 'eigenhuid', omdat deze bundel de (ook fysieke) eigenheid en identiteit tot centraal thema heeft; 'langst' als contractie van 'lang' en 'angst'; en 'vuistvuursprong' in verband met een revolver – in 'vuist' klinkt de associatie met 'hand' van 'handvuurwapen' door, maar dan agressiever, verbetener, woedender, en de 'sprong' doet denken aan het 'slaan' van de gespannen haan tegen het plaatje bij het vuren, of aan de 'sprong', de 'lancering', van de kogel.
Meer dan in Papaver probeert Sasja Janssen in Wie wij schuilen ook de taal te ontregelen. Misschien wordt deze ontregeling gedicteerd of gemotiveerd door de thematiek, maar ik waag het te betwijfelen.
Ontregelende poëzie, met name de taal ontregelende poëzie, lijkt me hoe dan ook obsoleet in 2010. Gedateerd. Passé. Geweest.
Dit is, zoals gezegd, een ontwikkeling die ik licht betreur, maar gelukkig is Janssen haar vermogen om krachtige, robuuste beeldende regels (veelal met een rauwe en agressieve, soms autoagressieve, masochistische inslag) te schrijven, geenszins verloren. Integendeel. (Ik heb de bundel uiteindelijk vijf keer gelezen, en bij iedere herlezing steeg mijn waardering. Mijn definitieve oordeel: Wie wij schuilen is, net als Papaver, een sterke bundel, maar veel stugger en weerbarstiger. Minder gastvrij, zo lijkt het. Hij sluit de lezer meer buiten, is althans minder uitnodigend. Daar staat tegenover dat deze bundel in thematisch opzicht veel hechter is dan zijn voorganger.)
Regels waaruit deze verbeeldingskracht blijkt, liggen voor het oprapen:
hun hoofden vielen als knikkers op het dek.
(p. 23)
Als het licht morgen houdbaar is naai ik mijn handen vast
aan kasteelgordijn (...)
(p. 26)
Snijden de obers uit haar gouden flank wat ik zwartrood proef
tot zij alle dagen van mij innemen en ik niets meer heb
dan een kale kraal in mijn mond
het is laat.
(p. 32)
(...)
ik tart mijn naald in anderen, mijn bloeddagen zijn lang
dieper krans ik mijn doelwit.
Ik moet fouten maken, ik snijd mijzelf open (...)
(p. 29)
Ik werd een lade
ik schoof open en was een revolver
(p. 53)
Deel van haar beeldend vermogen is het expressieve kleurgebruik van Sasja Janssen. Veelal gaat het hierbij om dreigende of duistere kleuren:
onder de bomen is het kogelig zilver.
(p. 39)
(...) zijn handen en voeten keverzwart.
(p. 48)
Daarbij is Janssen bij tijd en wijle erg geestig:
Mijn nachten waren barbaars, ik nam een slaaf, ze zijn heel toepasbaar
(p. 49)
Het centrale thema in Wie wij schuilen is het 'ik' in de 'wij', de definiëring en de afbakening en de expansie van het zelf, tegenover (en soms ten koste van) de ander. Er is sprake van een assertieve en agressieve manifestatie van het zelf. Het ik wil bezitten – zijn eigen lichaam; de ander; zijn habitat maar ook gebieden die niet tot zijn natuurlijke levenssfeer, zijn biotoop behoren; zijn herinneringen.
Niet voor niets duikt het motief van het eten meermaals op, in verband met de manifestatie van het zelf, zijn drang om te bezitten. 'Eten' impliceert 'zich toe-eigenen', 'incorporeren', 'inlijven', 'absorberen', 'opslokken'.
Zoals in het gedicht 'Langst':
Merken een zeestraat met twee armen speldenzwart, kopen
een bos van veertien hectaren, de bomen mogen niet gewiekt
het water niet gezoet
vallen wij in zee slaan onze benen gaten, bekken wij met zoute mond
lepelen vissenlicht
(de lucht hangt los van ons, met zilver)
overhoren elke boom, rimpeling boven de groene diepte, wij neigen
naar een breedtegraad, welke dat is geheim
om de lucht erboven die wij niet kunnen bezitten, spiesen we
een kokmeeuw en eten onze langst bitter.
'Bekken' is in de context van dit gedicht meerduidig – allereerst is het een nautische term, met de betekenis 'te veel op de wind liggen', 'loefgierig zijn'; ook kan het duiden op een inzinking in de zeebodem, een diepte te midden van ondiepere gedeelten, een 'gat' in de zee als het ware ('vallen wij in zee slaan onze benen gaten'); ten slotte associeert 'bekken' natuurlijk 'het orgaan waarmee men eet', 'de mond'. 'Bekken' is 'pikken' (met de snavel).
'Mond' in dezelfde regel verwijst niet alleen naar 'bek' (eetorgaan), maar ook naar (rivier)monding, uitmonding.
En 'armen' in de openingsregel kan zowel verwijzen naar de ledematen van een mens, als naar 'de anatomie van zee of rivier': een 'arm' is een zijtak van een rivier of, in dit geval, 'een lange smalle golf of inham van een zee'.
Zo doorweven verschillende associatieketens dit gedicht en grijpen in elkaar: termen die betrekking hebben op eten ('bekken', 'mond', 'lepelen', 'eten'), nautische begrippen ('bekken'), en woorden die zowel kunnen duiden op de anatomie van de mens als die van de zee ('armen', 'bekken', 'mond').
Aan 'Langst' ligt een mooie gedachte ten grondslag: de mens is een 'veroveraar', hij wil zich toe-eigenen, in bezit nemen – niet alleen zijn eigen habitat (landje pik), maar ook wat daarbuiten ligt, wil hij inlijven. En dat is onmogelijk.
Omdat 'we' (de mens) de lucht niet kunnen bezitten, bouwen we maar de langste zeilschepen met de langste masten. Omdat we de hemel niet kunnen bezitten, bouwen we obelisken, overwinningszuilen, piramides, torens, wolkenkrabbers, in de lucht klauwende gebouwen, ziggurats, masten – loze potentiesymbolen, die enkel onze onmacht moeten maskeren.
Omdat we de lucht niet kunnen bezitten, nemen we maar genoegen met iets uit haar domein, een luchtwezen, een hemelwezen – een schraal maal, dat ons enkel onze existentiële leegte en honger doet gevoelen.
De kokmeeuw is een offer, dat onze angst moet bezweren, de angst voor onze nietigheid en onmacht, onze ontoereikendheid. Maar het is een karige compensatie, een magere genoegdoening.
We zijn nu eenmaal aards, aan het land gebonden, net als de bomen – evenmin als zij hebben wij vleugels of mógen wij vleugels krijgen ('de bomen mogen niet gewiekt'). Ieder is teruggeworpen op zijn eigen habitat, en het is onmogelijk wezensvreemd gebied te beheersen. 'Zee' kan nooit 'zoet water' worden – het [zee]water [mag] niet gezoet.
Het neologisme 'langst' is hier treffend en goedgekozen: het is een samensmeding van 'angst' en 'lang' of '(het) langste', omdat wij met onze lang(st)e masten en torens onze angst proberen te bezweren, omdat wij met onze lange spiezen een kokmeeuw doden terwijl we het luchtruim willen bezitten – een bespottelijk gebaar van ultieme machteloosheid.
Ook het motto voor in de bundel, ontleend aan Mark Strand, wijst op deze drang iets te bezitten buiten ons domein:
For us, too, there was a wish to posses
Something beyond the world we knew, beyond ourselves,
Beyond our power to imagine, something nevertheless
In which we might see ourselves; and this desire
Came always in passing, in waning light, and in such cold
Een ander gedicht waarin eten en veroverzucht/bezitsdrang samenkomen, is 'Het wordt al laat' (p. 32), waaruit ik eerder de slotstrofe citeerde:
In twee uur mijn dag mijn drie maaltijden mijn wijn mijn melk
mijn zwijgliefde mijn overspel mijn kletskop mijn streken mijn haar
dat groeit versneden prijs ik de dag die kort is
en houd tijd over.
De smaak van dood nummer 14 op de kaart beveelt men aan
de hinde wordt hoekig binnengebracht zij braakt mij bronstig
van mijn judasmaaltijd.
(...)
Er is sprake van een ontmoeting, een diner, met een minnaar ('overspel', 'judasmaaltijd'), en een minnaar wil men in zijn macht hebben en manipuleren – en andersom.
Daarbij dient aangetekend dat 'braken' het tegendeel is van 'incorporeren', 'inlijven', namelijk 'terug-' of 'overgeven'.
Binnen het centrale thema van de bezitsdrang wordt een belangrijke rol ingenomen door de seksualiteit, en dan met name de assertieve en agressieve, zelfs gewelddadige seksualiteit – de laatste afdeling van de bundel is hieraan gewijd. Men wil de ander overweldigen, bezit nemen van de ander, maar ook dit is in wezen onmogelijk.
De slotregel van 'In duinen', waarin twee geliefden gemeenschap hebben, luidt: 'Kom, wij lachen, wij roven terwijl het ons ontglipt.'
In 'Het weten van haar hals' wordt de vrouw in kaart gebracht als een stuk land, maar de minnaars kunnen elkaar niet werkelijk eigen maken:
(...)
je kan haar onderzoeken, vanbinnen tekenen, opmeten als een stuk land
je kan haar pijn doen maar haar hals bewaar je langs de kaarten van jullie
dessous, erom dobbelen kan je niet, vreemd moet hij blijven.
In 'Nº' wordt opnieuw bezitsdrang in verband gebracht met eten:
Hij maakte een nummertje met me,
welk weet ik niet, dan moest ik zo liggen
of leunen of met mijn vinger uit mijn lichaam
lepelen, ik telde minstens al tot zes.
De duisternis at mijn wangen.
En ook in 'Glossa', ten slotte, komen gewelddadige seks en bezitsdrang samen met eten (althans, in metaforische zin). En ook hier blijft het wezen onaangetast en wordt het niet 'bezeten' of ook maar bereikt:
Als iemand met een oestermesje binnen wil dringen
zijn groene ogen uitperst, ontspint zich een beeld
van het weefsel van de stad.
Ik ken alle vluchtwegen.
Men moet jonge mannen beschermen tegen vorst
oesters zijn er niet dit jaargetijde, wie gaat ze dat vertellen
ik niet, sluit mijn binnenplaatsen mijn weefsels.
Iemand wil zich met geweld een ingang forceren, maar de weg naar het binnenste, de essentie, wordt hem ontzegd.
Het thema van het bezitten of zich toe-eigenen is dus wijdvertakt, en krijgt ook in zijn tegendeel gestalte: het verliezen of kwijtraken.
Hoe wij ook waren
Hoe wij iemand kwijtraakten, we zijn het vergeten.
Iemand anders zegt dat vergeten is koud, maar vaak eten
we nog smaakvol, trekken wij de lucht aan als kasjmier
er is zand op komst.
Waar wij waren, hoe stonden wij, werden we neergedrukt?
(...)
Vergeef ons niet, wij raken wel eens meer mens kwijt
onze tijd komt nog wel, het zand zit al overal.
Iemand is er niet meer, is de 'ik' of de 'wij' ontvallen (getuige andere gedichten gaat het hier om de vader, die gestorven is). En niet alleen is die persoon 'kwijtgeraakt', uiteindelijk is ook de herinnering daaraan (aan het verlies) 'kwijtgeraakt'. Het fysieke verliezen van iemand wordt na verloop van tijd gevolgd door het mentale verliezen, het vergeten – een verdubbeling van het verlies.
Wie wij schuilen is, kortom, een weerbarstige bundel met een zeer hechte thematische eenheid: de drang om te bezitten en eigen te maken wat ons vreemd is, de neiging om het zelf te consolideren en expanderen – een drang die in laatste instantie futiel is, gedoemd te mislukken. Het ik is niet in staat zich wezenlijk uit te breiden, om de ander of terrein buiten zijn biotoop in te lijven. Het hoogst haalbare is geen terrein prijs te geven aan de vijand: de dood en de tijd. Zo lang mogelijk.
Recensent: Willem Thies
Wie wij schuilen – Sasja Janssen
Querido, Amsterdam, 2010
ISBN 978 90 214 3838 2 - € 17,95