Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee de vierde Nederlandstalige dichtbundel van Tsead Bruinja (1974): Overwoekerd. (Bruinja publiceert ook in het Fries poëzie, bij uitgeverij Bornmeer.)
Het is een bundel vol lyriek, dynamiek en dramatiek, een hoogst persoonlijke bundel ook, en tegelijk de meest geëngageerde die Bruinja tot nu toe schreef.
Het, overigens titelloze, gedicht dat naamgever is van zowel bundel als openingsafdeling, is wonderschoon en meeslepend:
overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig overwoekerd door de geilheid en er niet mee bezig overwoekerd door de woede en er niet mee bezig overwoekerd door het geloof en er niet mee bezig door de muziek overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie overwoekerd door de haat overwoekerd door de geilheid overwoekerd door de woede overwoekerd door het geloof overwoekerd door de muziek overwoekerd door het verdriet en er niet mee bezig
Dit is een lied, meer specifiek: een blueslied. Het is een elegie. Het is een bezwering. Een gebed. Een spreekgezang. Een psalm.
En toch ook niet, althans: niet alléén. Het is een (zelf)overwinning, een ontworsteling aan wat verstikt, een verheffing, een bevrijding, het is het tegendeel van defaitisme.
Naar de vorm is het een simpel gedicht – Bruinja maakt uiterst effectief gebruik van de stijlmiddelen van de repetitio en het parallellisme, middelen die kenmerkend zijn voor de Psalmen en veel (andere) liedteksten, en ook geliefd zijn bij redenaars, zoals in het verleden Martin Luther King en in het heden Barack Obama.
Het gedicht getuigt voor mij weliswaar van melancholie en nood, maar toch in de eerste plaats van veerkracht en weerbaarheid. De 'belaagde' laat zich niet levend begraven, laat zich niet verstikken. Hij weigert te capituleren.
Simpel als de compositie mag zijn, ze is weloverwogen en doeltreffend. De reeks van parallelle constructies wordt op een gegeven moment, ongeveer halverwege het gedicht, doorbroken: 'door de muziek'; 'overwoekerd' en 'en er niet mee bezig' worden hier weggelaten. Dan volgt een soort tweede couplet, dat begint als een exacte herhaling van het eerste couplet – maar al snel treedt er een tempoversnelling op ('overwoekerd door de jaloezie overwoekerd door de haat (...)'), waardoor het lijkt alsof de (impliciete) ik nu werkelijk van alle kanten overdekt en overmeesterd wordt, het lied nadert zijn apotheose, en uiteindelijk toch de diepe zucht, het tot rust komen, de vertraging, de herwonnen ademruimte.
De bundel Overwoekerd ontleent zijn grote dramatische kracht voor een belangrijk deel aan het middel van de juxtapositie, de nadrukkelijke contrastwerking.
'sneeuw', dat direct volgt op het titelgedicht, is hiervan een goed voorbeeld:
in het najaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw
werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht
en levenloos uit een rijdende legertruck geworpen
werden onze kinderen niet van ons afgepakt
in het jaar 2008 was ik een man van vierendertig
rende ik samen met mijn vrouw
naakt over het strand van een duits waddeneiland
doken we een aprilkoude noordzee in
alles aan mij werd klein
in het jaar 2008 was ik niet zwart
deed ik geen gooi naar het presidentschap
waren er geen honderd geweren op me gericht
werd ik maar matig gehaat
in dat afgelopen jaar kwam ik te vaak bij mijn huisarts
die me zei minder te gaan drinken die me maagtabletten gaf
en ik dacht ik ben toch vierendertig en nog geen vierenzestig
en begon minder te drinken
in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
die drie dagen onder de canadese sneeuw bedolven lag
voor wie ik haar diepgelovige man bij de keukentafel bidden zag
in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog
Een mooi, 'rond' gedicht, waarin particuliere en intieme belevenissen met wereldnieuws versneden en gecontrasteerd worden.
In de vrouw die 'drie dagen bedolven onder de sneeuw' lag, herkennen we Donna Molnar uit Ancaster, die levend in de sneeuw begraven werd – alleen haar hoofd en nek staken nog uit. Deze dramatische geschiedenis speelde zich af vlak voor kerst 2008.
Ook hier is, net als in het titelgedicht, sprake van een levend begraven worden, een overwoekerd worden – Molnar werd overweldigd, overwoekerd door de sneeuw.
En ook de vorm van 'sneeuw' is simpel en effectief. Maakt Bruinja in het titelgedicht gebruik van muzikale technieken, hier hanteert hij filmische technieken. Het gedicht krijgt structuur door de montagetechniek van de crosscutting: er wordt heen en weer geschakeld, gesneden tussen verschillende scènes: persoonlijke ervaringen worden afgewisseld met mondiaal nieuws, dat deels dramatisch of zelfs schokkend (r. 3-4) van aard is. Beide krijgen hierdoor reliëf, en relatieve betekenis.
Hierbij is het contrast scherp maar niet totaal – ja, Tsead Bruinja (in zijn gedichten is het onderscheid tussen het lyrisch ik en de dichter zélf, de fysieke persoon die in de Baarsjes in Amsterdam woont en met Saskia Stehouwer is getrouwd, vrijwel verdwenen) heeft een betrekkelijk makkelijk leventje, ja, hij heeft het goed voor elkaar, ja, hij heeft een gelukkig huwelijk, maar ook hij kent persoonlijk leed, persoonlijke zorgen en worstelingen: hij heeft te kampen met ernstige maagklachten, met een weigerachtig lichaam. Zorgen die in het niet vallen afgezet tegen het leed op wereldschaal, ongetwijfeld, maar die niet minder reëel zijn; die degene die erdoor wordt geplaagd, bezighouden en bezwaren.
Dat het lichaam de ik (die dus min of meer samenvalt met Tsead Bruinja) regelmatig parten speelt (of op zijn minst niet soepel en optimaal functioneert) en soms opbreekt, blijkt uit meerdere gedichten:
warm water over je stramme schouders
(p. 22)
wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen
en tegen welk verlies kunnen we ons wapenen?
('wat durven wij te hopen')
na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc
om me af te vragen of dit lichaam een geschenk is
of een straf
('bruintje beer op de helft van zijn adembenemende graf')
niettemin is dit gedicht uitstekend geschikt voor dat soort mannen
mannen die zich soms een beetje druk maken
over de toestanden in de wereld
die net iets te veel opscheppen bij het ontbijtbuffet
en hoewel niet moddervet met een opgeblazen gevoel rondbanjeren
door buitenlandse steden
('in basel')
Niet voor niets fantaseert Bruinja over een volmaakt lichaam:
we verlangen naar een psychedelisch erotische filmhemel
waarin we perfecte lichamen mogen uitkiezen
per standje een aparte set spieren inclusief
atletisch uithoudingsvermogen
Nóg tekenender dan de autobiografisch te lezen passages en verwijzingen naar het lichaam zijn misschien wel de indirecte verwijzingen naar het eigen, weigerachtige lichaam: de gedichten in de eerste afdeling gaan grotendeels over lijken, begrafenissen, crematies, levend verbrand worden, de aantasting en vernietiging van het lichaam – ik vermoed dat deze gedichten freudiaans te duiden zijn, als 'nachtmerrieachtige verbeeldingen', dromen waarin de angsten en zorgen van Bruinja gestalte krijgen. De fascinatie voor de vernietiging van andermans lichaam legt de onderliggende preoccupaties met zijn eigen fysieke gebreken en problemen bloot – althans, in de ogen van de freudianen, de psychoanalytici, de droomduiders; maar ik denk dat het in dit geval een 'veilige aanname' is, een plausibele gedachtegang.
Ander particulier leed is het 'haperend kind', een prachtig beeld voor een kind dat gewenst is, maar dat maar niet komt.
hij sleept een kind door het zand. dat weigert. dat opveert. maak dat je hier wegkomt. maak dat je hier wegkomt. maak dat je van soort verandert. dat je uitsterft. hij sleept een kind door het zand. dat hapert.
Het kind dat hapert, breng ik niet zomaar in verband met een kind dat wordt gewenst maar (nog) niet komt, dat draalt.
Het gedicht 'hier opeten of thuis weggooien' werpt licht op hoe we het 'weigerende' of 'haperende' kind in bovenstaande passage kunnen lezen.
de receptioniste geeft me een sticker met mijn gegevens
en een potje waar ik de sticker op mag plakken
daarna wijst ze me de wc aan
ik wil haar barvrouw noemen
haar om een biertje vragen
denk aan de snackbarhouder op vlieland
die de kroket uit de frituur haalde en vroeg
hier opeten of thuis weggooien?
als ik na wat nerveus gefriemel
haar het lauwwarme resultaat wil overhandigen
maakt ze een afwerend gebaar en schuift
vliegensvlug een geel bakje naar voren
alles is te groot voor het kleine dat ik lever
het potje het bakje en de lange lijst namen
die het kind later als een mand vuile was
met zich mee mag dragen
nu staat onze gezinswagen geparkeerd
in een straat waar 's avonds door andermans kroost
auto's in brand worden gestoken
maar niet onze auto staat vanavond in lichterlaaie
want wij gaan een weekendje weg
en ook als het een meisje wordt
hoop ik dat zij bitterballen lust
Een onderzoek in een ziekenhuis, een zaadmonster, een stokkend kind – hier ligt een persoonlijk drama ten grondslag aan het gedicht; in ieder geval verloopt het krijgen van kinderen niet zonder problemen, is het een worsteling.
Na het lezen van 'hier opeten of thuis weggooien?' wordt de volgende passage ineens aangrijpend:
ik breng mijn kind naar school en het hapert
ik breng mijn kind naar school
en ik krijg een brok in mijn keel
Het kind dat naar school gebracht wordt, is er nog helemaal niet.
Naast het haperend kind keert de gestorven moeder (naast het kind dat 'nog niet' is, de moeder die 'niet meer' is) terug in deze jongste bundel van Bruinja.
Het slotgedicht van Overwoekerd is kort maar uiterst suggestief en geladen:
je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen
als je moeder een pruik draagt
Vijftien woorden maar, drie regels, en toch genoeg om ontroering teweeg te brengen.
En daarvoor hoef je niet per se het gedicht 'één borst' (te vinden in De geboorte van het zwarte paard) te kennen – het drama wordt vermoed, gaat schuil onder dat ene woord, 'pruik':
in het ziekenhuis rende ik de trap op
sloeg ik de treden over
stoof in de gang vlak voor mijn moeder langs
zag haar niet
thuis had ze nooit een ochtendjas aan
thuis hing zoiets in de kast
kijk maar
ze knoopt het bovenstuk
van haar pyjama
weer open
en ik weet niet wat ik verwachtte
waar haar borst was
leek het dichtgeschroeid
het zag er netjes uit
moeder zei aan de eettafel tegen een vriendje
ik ben hartstikke kaal
hij geloofde het niet
als stan laurel
tilde ze haar pruik op
kijk maar
ze was daarvoor een keer van de trap gevallen
en een poosje buiten westen geweest
ze was een keer misselijk
omdat de nieuwe hagelwitte televisie
pijn aan haar ogen deed
Daarom is voor mij Overwoekerd de bundel van de wapenspreuk Luctor et Emergo ('Ik worstel en kom boven'); van het knokken; het gevecht tegen het muitende lichaam; het verwerken van verdriet en het overwinnen van tegenslag; het hoofd bieden aan problemen; de moed niet verliezen; niet opgeven; de bundel van strijdvaardigheid, veerkracht en weerbaarheid. Niet verstikt raken door wat je dreigt te overwoekeren.
Eerder zei ik al dat Bruinja's poëzie een grote dramatische en lyrische kracht bezit – dit weet hij te bewerkstelligen met name door de inzet van twee (stijl)middelen of technieken: de repetitio of herhaling, die vooral een bezwerend effect heeft (zoals het titelgedicht en 'ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden') en de gedichten hun lyriek, muzikaliteit en meeslependheid verleent; en de juxtapositie of de contrastwerking, die zorgt voor de dramatiek en impact van de gedichten (bijvoorbeeld 'sneeuw' en 'uw plaats in ons meedogenloze archief').
Het contrast zit 'm doorgaans in de uiteenlopende stijlen en tonen waarvan Bruinja zich bedient. Zo kan hij (ik zei het al in mijn eerder op Poëzierapport verschenen bespreking van De geboorte van het zwarte paard) hard en ruig uit de hoek komen:
(...)
we plakken huid
over je huid
proppen een vuist
vol mieren
in je hart
(...)
en hier is de trog
waar je uit mag
vreten
(p. 64)
Dit is niet alleen stevig, het is agressief, gewelddadig.
Het contrast geldt niet alleen stijl en toon, maar ook onderwerpskeuze. Zo bevat de eerste afdeling, 'overwoekerd', zoals gezegd, grotendeels gedichten over lijken, waaronder minutieuze beschrijvingen van het verteren van lijken, over begrafenissen, crematie, en zelfs het levend verbranden van mensen, kortom: deze afdeling is rijk aan morbide en macabere horroreffecten, en Bruinja maakt hier ook veelvuldig gebruik van de techniek van de readymade of de half readymade of semireadymade (waardoor sommige gedichten een bijna journalistiek of wetenschappelijk karakter krijgen, zoals 'heb jij de arm ondersteund die het aan kracht ontbrak?', een stapsgewijze beschrijving van een exotisch en 'vreemd' crematieritueel).
De afdeling die hierop direct volgt, 'twee keer stond ik deze week aan het water', daarentegen, is veel zachter en rustiger van toon, ingetogen en teder en beeldend. Het mooie 'kraag' kan als voorbeeld dienen:
1.
tel de voetstappen
die je straks maakt
terug van dit strand
bekijk de persoon naast je
alsof je hem of haar
net ontmoet hebt
bekijk de voetafdruk
en vraag je af wie
daar in staat
hoe goed je elkaar kent
dat dit gezicht
het laatste is
dat je ziet
dat het ritme van haar tred
voordat ze de deur opent
je verlaat
wat bekruipt je?
wat bedwelmt je?
2.
teleurgestelde gezichten onderweg
onder de beladen bomen
de rietkraag
het helmgras
een fietser verdwijnt in de boomwal
achter vingers van wilgentak
een hond rijst op uit het hoge gras
met hun snuiten in het weidse veld
zoeken paarden het lekkerste
een kievit trippelt door een wolk
in een plas
de kleur die je droeg verdwijnt
maar de zon belooft je
toch een nieuwe
onder de beladen
vruchtbare bomen
teleurgesteld
onderweg
Dit zijn voorbeelden van contrasten tussen gedichten, contrasten in toon en stijl, in idioom en onderwerpskeuze.
Bruinja werkt ook met contrasten binnen gedichten. Een krachtig gedicht, dat geheel en al is gebaseerd op het principe van het contrast, is 'uw plaats in ons meedogenloze archief'.
de soldaten sloegen haar kinderen zo hard
dat ze wel de kamer uit moest komen
leuk voor kinderen zijn knutselen
spelletjes kleurplaten
de vrouwen slapen 's nachts in gebouwtjes
de mannen liggen buiten in de kou
leuk voor mannen zijn topsalarissen
goedbetaalde banen reiskosten
moeder werd achter in de legertruck gezet
en mishandeld
leuk voor moeders zijn bloemen
iets hartigs ontbijt op bed
het leger roofde het geld
en trok haar van de wagen af
goed voor uw wagen
primer wax olie nieuwe banden
van quickfit
daarna werd ze door meer dan tien mannen
in de lokale taal uitgescholden en geslagen
het beste voor slachtoffers van verkrachting
opvang medische zorg juridische begeleiding
het is verstandig hier niet te lang mee te wachten
want hoe langer je wacht hoe groter het gevaar
dat bewèèèismeaterièl verdwêèèènt
of verklaringen hobbel in de weg
onzekerder worden
In dit gedicht, evenals in 'sneeuw', bedient Bruinja zich van de techniek van de crosscutting – zij het in dit geval een heel specifieke vorm daarvan: de dialectische montage, die door de Russische filmregisseur Eisenstein (1898-1948) is ontwikkeld.
Dialectische montage is gebaseerd op contrast (bij crosscutting in het algemeen hoeft dit geenszins het geval te zijn; zij is juist vaak op overeenkomst gebaseerd), een 'inhoudelijk' contrast, een contrast dat op ideologische gronden wordt teweeggebracht – om 'de boodschap over te brengen', om de kijker (of lezer in dit geval) van een bepaalde idee te doordringen. Er is sprake van een 'these' en een 'antithese' (en in enkele gevallen van een 'synthese').
Zo herinner ik me de dialectische montage van een scène van een schranspartij van de bourgeoisie, met uitpuilende buiken en vet op de kin, afgewisseld met die van honger lijdende, magere arbeiders, die niets dan wat beschimmeld graan te eten hebben – de arme, onderdrukte klasse. Het contrast is zwaar aangezet.
Ik weet niet meer exact uit welke film van Eisenstein deze montage afkomstig is; het moet Staking of Pantserkruiser Potjomkin zijn geweest, beide uit het jaar 1925. Heel veel doet het er ook niet toe. Bij Eisenstein was het overdragen van de ideologische boodschap heilig en zaligmakend, de specifieke plot en personages stonden volledig in dienst hiervan, waren ondergeschikt en min of meer irrelevant. Het ging om de idee, en de klasse, het collectief, niet om individuen of intriges.
Ook Bruinja past deze techniek van de dialectische montage toe – en doeltreffend, want het is een indringend gedicht. Het heeft impact.
Hij heeft schokkende nieuwsberichten uit oorlogsgebieden, met een gewelddadige strekking, versneden met reclamepraatjes en 'luxe geleuter' uit het veilige, gezellige Westen. Het contrast is, ook hier, nadrukkelijk en bijtend, waardoor de niets-aan-de-handopmerkingen over kleurplaten, topsalarissen en Quickfit iets volkomen ongepasts en gênants krijgen.
Merk overigens op dat er bij ieder montagepunt, iedere overgang, sprake is van een wisselwoord of scharnierwoord – een woord dat het gedicht van het ene op het andere spoor zet, dat het gedicht 'omschakelt' van de ene naar de andere scène: tussen de eerste en tweede strofe fungeert 'kinderen' als zodanig; tussen de derde en de vierde 'mannen'; tussen strofe vijf en zes 'moeder(s)'; tussen zeven en acht 'wagen'.
Een bezwaar tegen dit gedicht zou kunnen luiden (zoals ook tegen Eisensteins films) dat de montage wel erg ruw en bruusk is, en weinig subtiel en verfijnd. Dat de gehanteerde manipulatiemechanismen wel erg doorzichtig zijn – feitelijk is dit gedicht pure propaganda; niet in dienst van het kapitalisme, noch van het communisme; maar het wil de lezer wel degelijk manipuleren en beïnvloeden, het wil hem bewegen tot sociale betrokkenheid, tot solidariteit met de geweldsslachtoffers elders in de wereld, hem met hen laten sympathiseren, en vooral: hem zich schuldig en medeplichtig laten voelen, hem zich laten schamen.
Dat mag zo zijn, dit gedicht mag een staaltje manipulatie en zelfs propaganda eerste klas zijn, en de gehanteerde technieken en mechanismen mogen behoren tot de 'botte-bijlcategorie', het werkt. Bij mij althans wel. Het is effectief. Het gedicht bereikt zijn doel. Ik voel me schuldig. Ik voel me betrapt.
Blijkbaar hoeft het doorzien van de manipulatiemechanismen nog niet te betekenen dat de manipulatie faalt – dat de boodschap (de propaganda) geneutraliseerd wordt, dat de angel eruit wordt gehaald.
Overwoekerd is een contrastrijke bundel. Door de afwisseling en vaak juxtapositie van sterk uiteenlopende stijlen en tonen slaagt Tsead Bruinja erin een grote dramatische kracht en dynamiek te bewerkstelligen, een spanningsveld te creëren, tussen de gedichten onderling en ook binnen de afzonderlijke gedichten. Dat de lezer beseft dat er hier en daar sprake is van effectbejag, doet niets af aan het effect.
Recensent: Willem Thies
Overwoekerd - Tsead Bruinja
Cossee, Amsterdam, 2010
ISBN 978 90 5936 287 1 - € 19,90