Steven Graauwmans debuteerde in mei 2006 met de bundel Uitzicht Lotto in de Windroos-reeks, inmiddels onder redactie van Henk van Zuiden, bij uitgeverij Holland, Haarlem. Zijn tweede bundel, Reservisten van maandag, onder redactie van Hedwig Speliers, verscheen in het najaar van 2009 in de Bel-etagereeks van het Poëziecentrum te Gent.
Bij beide uitgaven wordt vermeld dat hij architect is, en in beide uitgaven meen ik daarvan iets terug te zien: de taal wordt opgebroken in herkenbare elementen die vervolgens in verschillende constructies – gedichten, reeksen, bundels – worden verwerkt.
Die elementen zijn in de tweede bundel over het algemeen minder schreeuwerig dan in de eerste. Waar in Uitzicht Lotto ene Erik nog een stuk uit moeders gelaat houwt, een zeis al bloedend het vlees van je botten schraapt, en een naamloze “zij” zich de ogen uitsteekt bij het krijgen van haar borsten, is het in Reservisten van maandag over het algemeen wat minder sensationeel – al zijn er zeker uitschieters. Veel elementen blijven terugkeren: de koffie, de zee, de sigaretten, de bar. Maar de toon is wat afstandelijker, de setting heeft meer iets van een filmdecor.
Opvallender dan inhoudelijke elementen zijn de opzichtige kunstgrepen die worden ingezet, met een frequentie die de lezer het gevoel geven dat hij met een vast assortiment prefabartikelen te maken heeft, met telkens een ander kleurtje of smaakje uit het rolmenu. Het meest in het oog springend zijn de plotseling opduikende kapitalen. Graauwmans laat zijn zinnen gewoonlijk niet met een hoofdletter beginnen en met een punt eindigen, zodat menig gedicht ietwat oeverloos doorklotst. Maar opeens Verschijnt daar dan een hoofdletter waarvan de diepere zin mij ontgaat (hoewel ik er als kind bij A.A. Milne nooit moeite mee had). Andere terugkerende elementen zijn samenstellingen als gauwtijd, blijfdrang, loodlicht, verlieskamp, prikbalonnen, tranenarbeid, hinkelstappaleizen – wellicht zitten daar Belgisch Nederlandse neologismen tussen die mijn oude Van Dale nog niet kent, maar het meeste lijkt me idiolect. Dan zijn er nog ettelijke enjambementen die volkomen in de lucht blijven hangen, veel tussenwerpsels tussen haakjes en inspringende regels. Een minder opvallend element is het veelvuldige gebruik van staande uitdrukkingen en cliché formuleringen die nogal geïsoleerd tussen de nieuwlichterijen staan, als oude dametjes in een bus vol scholieren.
Boven geschetste elementen zijn nagenoeg allemaal in het onderstaande gedicht (op bladzijde 10) terug te vinden:
vooruit
zo moet het sneller nu Hop
naar morgen naar Hupsakee:
geen geschrijf maar gedelete
geen gesprek maar gepotel:
de hoofdzaak geschrapt met een weetje
Wie vertrouwt het niet?
geef je
aan
jezelf
zonder wetenschap,
maar uit noodzaak om geen later
te voorzien mes in je rug:
je verzoent niet meer
de regels van het spel
met het verlieskamp
dat elke dag van de week
de rommel in je hoofd in rijtjes schikt
vandaag wist gisteren
denk verder denk morgen
professionaliteit daar draait het om
geen tranen alsjeblieft
je bent geen zes meer
je moet rekeningen vereffenen
stapels afstapelen
vuur doven
het verschil maken
het antwoord Betalen
(Het gedicht beslaat twee pagina’s; tussen “schikt” en “vandaag” heb ik een witregel ingelast omdat een nieuwe pagina voor mij leest als een witregel.)
De biografie van Graauwmans vermeldt dat hij naast architect en ontwerper ook copywriter is, en ik kan me voorstellen dat informatieve en persuasieve broodschrijverij het verlangen doet groeien om bij het dichten nu eens lekker het tegenovergestelde te doen. Maar ook poëzie behoeft overtuigingskracht en samenhang, en hoe raak, speels of spitsvondig een constructie ook is, er is meer nodig om de aandacht vast te houden, te verleiden tot verdieping. Ik merkte dat ik op een gegeven moment erg kribbig werd van het fragmentarische karakter van deze bundel, zelfs al waren er verbindende elementen. Zo grijpt het gedicht hierboven terug op de (gecursiveerde, ingesprongen) vraag uit het titelgedicht, twee bladzijden daarvoor:
Wie zegt waar het om draait?
Maar ook dit soort kunstige bogen brengen geen spanning in het geheel, zolang ze inhoudelijk niet worden ingevuld. Het blijft droog en dor, omdat de constructies niet door mensen bewoond lijken te worden, maar door gerecycleerde personages en dramatische special effects: Neem bijvoorbeeld (op bladzijde 47):
tweespalt
Zij en Hij gaan
verder
ze drukt zijn puisten uit
hij keert een gouden hok bijeen
met emmers salpeterzuur
op halfopen deuren
Ze komen je halen!
Hij en Zij ver
trouwen
verder:
hun klamme minnaars, hun vol
gehouden gelach,
in januari wensen ze
roken
een en ander
uit
Het gedicht hierboven is als een grotesk filmdecor (om onduidelijke redenen voelt het als film noir) waarin geen geloofwaardige mensen van vlees en bloed schuilgaan.
Het is niet de burgertruttige behoefte aan een perfect geïnterpungeerde, herkenbare, diep-menselijke anekdotiek die me kribbig maakt. Poëzie mag zo hermetisch en cerebraal zijn als een weckfles met hersenen op sterkwater, maar hoe minder toegankelijk het gedicht, des te sterker moet de onderstroom zijn die je naar de diepte trekt.
Die onderstroom voel ik niet – dat kan aan mij liggen, of aan het onvermogen van de schrijver om taal- en beeldelementen te verbinden tot een film waarvoor je eens goed gaat zitten – en blijft kijken, zelfs al snap je er geen donder van.
Een dergelijke overgave is wellicht haalbaarder voor lezers die a priori meer plezier aan de speels-recalcitrante stijl van Graauwmans beleven dan ik, of die achter het schimmenspel van personages een groot vuur vermoeden. Zulke lezers kan ik Reservisten van maandag zeer aanbevelen.
Maar een cynicus als ik, die niet achter elk groot woord een grote bewogenheid veronderstelt, had tussen de bordkartonnen karakters door de windvlaag willen voelen - de innerlijke noodzaak, zo u wilt - die de dichter ertoe gedreven heeft dit alles op te schrijven.
Recensent: Catharina Blaauwendraad
Reservisten van maandag – Steven Graauwmans
Poëziecentrum, Gent, 2009
ISBN 978 90 5655 274 9 – € 17,50